De meteoriet van Toengoeska liet zich ook in de rest van de wereld opmerken. Een aardbeving van 5.0 op de schaal van Richter trekt over het continent en onder andere in Groot-Brittannië registreren meteorologen een drukgolf die zeker twee maal rond de aarde trekt. 's Nachts kunnen mensen in Europa en west-Azië de krant nog lezen door stof van de explosie dat zich hoog in de atmosfeer verspreidt.
De meteorietinslag in Toengoeska is de grootste bekende inslag in de recente geschiedenis. De kracht moet ergens tussen 5 en 30 megaton TNT hebben gelegen. Dat is ongeveer duizend keer de kracht van de atoombommen die op Hiroshima en Nagasaki neerkwamen in 1945. Gelukkig gebeurde de ramp in vrijwel onbewoond gebied. Was het de meteoriet boven dichtbevolkt gebied neergekomen, dan was de ramp niet te overzien geweest. Van een stad en zijn omgeving zou niets over zijn gebleven en honderdduizend tot miljoenen mensen zouden de dood hebben gevonden.
Vast staat dat er in Toengoeska iets buitenaards is neergekomen. Maar wat er precies is gebeurd is nog steeds een raadsel. Zo is het nog onduidelijk wat voor object precies de atmosfeer doorploegde boven de moerassen van Toengoeska. Was het een komeet? Of een asteroïde? En ontplofte hij in de lucht of kwam er toch iets op de aardbodem neer?
Planetensimalen
Om dat te achterhalen, moeten we terug naar de ontstaansgeschiedenis van ons zonnestelsel. Onze zon ontstond 4,5 miljard jaar geleden doordat een wolk interstellair gas zich begon samen te trekken onder zijn eigen zwaartekracht. Hierbij ging de wolk steeds sneller om zijn as draaien. Rondom de zon ontstond zo een ring met stof- en gruisdeeltjes, de zogenaamde planetesimalen. Zij klonterden later samen tot de planeten die we nu kennen.
Net binnen de baan van de reuzenplaneet Jupiter lukte dit samenklonteren vermoedelijk niet goed. De zwaartekracht van de reuzenplaneet verstoorde dit proces. Zo bleven er tussen de banen van Mars en Jupiter rotsblokken rondzweven in een gebied dat nu bekend staat als de asteroïden- of planetoïdengordel. Asteroïden bestaan vooral uit zwaardere elementen, zoals ijzer en silicium. In totaal zijn er al zo’n 180.000 asteroïden ontdekt, maar er zijn er nog veel meer.
Lichte elementen zoals waterstof en helium werden tijdens de vorming van ons zonnestelsel door de zonnewind weggeblazen en kwamen vooral in het buitenste deel terecht. Daar ontstonden de grote gasplaneten. Nog verder weg van de zon was het zo koud dat de gassen bevroren. Daar vinden we tegenwoordig veel ijsachtige planeetjes, genaamd kometen. Ze bevinden zich in een wolk om ons zonnestelsel, genaamd de Oortwolk.
In tegenstelling tot de solide asteroïden, zijn kometen bros. Ze bestaan voornamelijk uit ijs en gruis. Een komeet is eigenlijk te vergelijken met een vuile sneeuwbal. Het ijs en het puin worden bij elkaar gehouden door de eigen zwaartekracht. Regelmatig komen kometen ons zonnestelsel binnen. Zodra een komeet in de buurt van de zon komt verdampt het ijs en spuit er stof en gruis naar buiten. Hierbij ontstaat een prachtige staart.
Zowel asteroïden als kometen kunnen een gevaar voor ons vormen. Sommige kruisen zo nu en dan de baan van de aarde. Als de aarde zich op zo’n moment toevallig ook op dat punt bevindt is er een kans dat het object de atmosfeer binnendringt. Als het groot genoeg is, kan het inslaan op de aardbodem.
Komeet of asteroïde?
Terug naar Toengoeska. De Russische mineraloog Leonid Kulik ondernam als eerste enkele expedities naar het rampgebied. Geen gemakkelijke klus, want de rivieren en dichte wouden maakten het gebied erg ontoegankelijk. In 1927 merkte hij op dat de omgevallen bomen in het gebied naar één centraal punt wezen. Op die plek moest de explosie hebben plaatsgevonden.
Ondanks deze aanwijzing werd daar niets teruggevonden van de meteoriet. Een explosie van een komeet boven het aardoppervlak lag daarom in eerste instantie voor de hand. In 1930 opperde de Britse astronoom F.J.W. Whipple het idee dat er een kleine komeet in de atmosfeer explodeerde op een hoogte van ongeveer tien kilometer. Het ijs en stof zouden bij de explosie geheel zijn verdampt.
Dit was in die tijd ook een mooie verklaring voor de gloed die ’s nachts werd waargenomen in Europa en het westen van Azië. De langgerekte staart van de komeet zou daar namelijk de atmosfeer zijn binnen gedrongen. De stofdeeltjes in de staart weerkaatsten het zonlicht op grote hoogte, zodat ze vanaf de aarde zichtbaar werden als een licht schijnsel aan de nachtelijke hemel. Nu weten we dat de stofdeeltjes in dat geval in de atmosfeer zouden verbranden. Dan zouden er veel vallende sterren zijn verschenen aan de hemel!
In 1978 kwam de hypothese onder vuur. De Slovaakse astronoom L’ubor Kresák beweerde dat het object geen komeet was geweest, maar slechts een fragment daarvan. Een komeet verliest door het smelten namelijk voortdurend materie. Stofdeeltjes verspreiden zich geleidelijk over de hele baan van de komeet. Als de aarde door deze baan trekt, komen er stofdeeltjes in de atmosfeer terecht, waarbij ze verbranden. We zien dan meteoren of vallende sterren aan de hemel.
Elk jaar rond 30 juni kruist de aarde de baan van de komeet Encke die bezaaid is met gruis en puin. Elk jaar rond die datum verschijnen er meteoren aan de hemel die uit de richting van het sterrenbeeld Stier lijken te komen. Maar bij het verdampingsproces in de komeet breken ook geregeld grotere stukken af die in de baan belanden. Zo registreerde een seismisch netwerk tussen 20 en 30 juni 1975 op de maan een serie maanbevingen. Deze werden veroorzaakt door grote inslagen, mogelijk veroorzaakt door fragmenten van komeet Encke. Het zou goed kunnen dat de aarde op 30 juni 1908 toevallig ook een groot fragment is tegengekomen op zijn pad door de baan van Encke. In dat geval was het neerkomende object boven Toengoeska een uit de kluiten gewassen meteoor.
Geheel andere kritiek op de komeethypothese kwam van de Tsjech Zdenek Sekanina in 1983. Volgens de astronoom zou een komeet niet in staat zijn het aardoppervlak te naderen tot een afstand van tien kilometer. Het broze materiaal had veel hoger in de atmosfeer al verpulverd moeten zijn. Een object dat zo ver in de dampkring doordringt moet veel dichter en rotsachtiger zijn geweest dan een komeet of een fragment daarvan. Hij dacht daarom eerder aan een kleine asteroïde.
Een asteroïde is inderdaad een reële optie. In ons zonnestelsel zweven genoeg zware rotsblokken rond die zo’n inslag kunnen veroorzaken. De meeste asteroïden bevinden zich in een baan om de zon tussen de planeten Mars en Jupiter, maar ook buiten dit gebied zwerven ze rond. Sommige van hen naderen of kruisen geregeld de aardbaan. Af en toe moet er dus wel één inslaan op aarde. De vraag is alleen hoe vaak?