Eenmaal in de patiënt zullen er toch haarvaatjes in het implantaat moeten groeien om de cellen van stoffen te voorzien. De ontwikkeling van de bloedvaatjes, een proces genaamd angiogenese, is in de medische wereld vooralsnog een groot mysterie. De othobiologiegroep werkt daarom nauw samen met de vakgroep van tissue engineering-goeroe Robert Langer van het Massachusetts Institute of Technology (MIT). Isotis-medewerker Jeroen Rouwkema kweekte bij het MIT menselijke endotheelcellen - cellen die aan de binnenkant van bloedvaten zitten – mee in spiercelweefsel van een muis. In het spierweefsel bleken zich haarvaatjes te vormen die zich bovendien gingen verbinden met het vaatnetwerk van de muis. “Dat is het leuke van bloedvaten”, aldus Van Blitterswijk. “Het lichaam helpt gewoon mee. We weten nog niet of het verschijnsel door stamcellen wordt veroorzaakt, maar op een of andere manier vinden de vaatjes elkaar. Veel dingen zullen we niet eens hoeven te begrijpen om ze toe te passen.”
Rouwkema probeert deze techniek momenteel te ontwikkelen voor botengineering. Hij kijkt of hij beenmergcellen ook kan gebruiken om haarvaten te maken. “Op het lab kunnen we uit beenmerg al vier type weefsel maken: bot, kraakbeen, bloedvaten en vetweefsel”, zegt Van Blitterswijk. “Dit zijn bouwstenen die je kunt je combineren om een orgaan te maken, net als dat je bij het bouwen van een huis ook allerlei onderdelen combineert, zoals verschillende soorten leidingen.”
Ontwerp
De belangrijkste functie van botten is het geven van stevigheid aan het lichaam. De drager in het botimplantaat moet daarom ook een hoge belasting kunnen verdragen. Tegelijkertijd moet het veel poriën bevatten zodat de cellen zich er goed in kunnen verspreiden. “We maken het materiaal daarom behoorlijk poreus, maar proberen het ook stevig te maken door een aantal massieve plaatjes in te bouwen die in de richting staan van de belasting. In de kunststofindustrie wordt dit ook gebuikt bij het spuitgieten. Je gebruikt dan weinig materiaal, maar het uiteindelijke product is toch stevig.”
Voor onderzoek naar kraakbeenimplantaten ontwerpt Van Blitterswijks groep dragers op een computer. Een zogenaamde ‘bioplotter’ print vervolgens de kunststof drager. Een computergestuurde injectienaald drukt langzaam een gesmolten polymeer naar buiten terwijl het in drie richtingen beweegt. Momenteel gebruiken de meeste tissue engineers zoutkristallen bij het maken van kunststof dragers die uiteindelijk de grootte van de poriën bepalen. “Het probleem hierbij is dat je niet echt kunt ontwerpen”, legt Van Blitterswijk uit. “Het is erg belangrijk dat de poriën op elkaar aansluiten, anders krijg je dooie ruimte en daar heb je niets aan. Het is zelfs gevaarlijk. Bacteriën zouden in afgesloten holtes kunnen groeien en het systeem kan hier niet meer bij.”
Automatisch
Tissue Engineering is in principe nog verder te automatiseren. Diagnose van de patiënt, het kweken van de cellen en het implanteren kan ook overgelaten worden aan computers en robots. “Een Amerikaan waar ik een keer een lezing mee hield gelooft echt dat je straks het ziekenhuis in wordt gereden en door een scanner wordt gehaald. Vervolgens maakt een printer een matrix en worden er cellen gezuiverd uit de patiënt. Een robot zou de prothese dan ook nog implanteren. Ik geloof wel dat het mogelijk is, maar het blijft allemaal erg dure technologie. Ik geloof meer in een mengvorm van oude en nieuwe techniek.
Bovendien moet je met een nieuwe techniek wel aan een behoefte voorzien, anders heeft het geen zin. Sommige dingen werken gewoon. En een chirurg bijvoorbeeld vindt het vaak leuk om een mes te gebruiken. Ooit heb ik met iemand een kunsttrommelvlies ontwikkeld. Artsen kunnen echter ook een dun plakje kraakbeen uit de oorschelp gebruiken als vervanging. Wij dachten dat het handiger zou zijn als je een trommelvlies uit een doosje ‘van de plank’ kunt pakken, maar artsen vonden het snijden van een plakje veel leuker.”